De Collega’s op het Eiland

Ik ben alleen wanneer ik de PC opstart en mijn status op teams, instel als beschikbaar. Ik ben fysiek alleen en zelfs heel comfortabel alleen, maar ik ben eigenlijk een deel van een hele groep mensen, die net als ik, telkens opnieuw, aan het begin van de werkdag, aangeeft dat ze beschikbaar zijn om samen te werken. En aangezien we dit doen voor dezelfde werkgever, worden wij beschouwd als collega’s van elkaar. In de loop van de voorbije jaren, zijn er voor mij al een heleboel collega’s de revue gepasseerd. Zie je, ik ben ondertussen al een paar keren van werkgever veranderd. Wanneer je uitgekeken bent op je huidige job of je vindt de motivatie niet meer om jouw energie te geven tijdens die verplichte werkuren, dan moet je bepaalde deuren sluiten en kijken waar er anderen openen. Ik heb dat nooit moeilijk gevonden. Het moeilijkste aan het verlaten van een job daarentegen, is het achterlaten van collega’s. Ik heb dus al veel collega’s achter mij gelaten. En bij de ene voelt het afscheid heel makkelijk, maar bij sommige anderen laat dit toch zijn sporen na. Zo heb ik sinds vorige week een collega minder, maar hoop uit de grond van mijn hart, dat de vriendschap mag behouden blijven. Bij mij groeit er niet zo dikwijls een vriendschap uit een werkrelatie, want ik geloof daar niet echt in. Maar heel af en toe is er wel eentje de moeite waard om aan vast te blijven houden.

Bij mijn eerste werkgever kwam ik als schoolverlater in een kleine groep terecht. We hadden onze burelen in een gewoon rijhuis en hadden het gevoel op een eilandje te zitten, maar met de steun van de hoofdzetel om de hoek. Ik kwam er terecht bij, in mijn toenmalige ogen, werknemers op zekere leeftijd. Geen enkele collega die de leeftijd van 40 nog niet had bereikt. Met mijn 18 jaar was ik dus echt wel de junior in het nest. Het moet voor hen een aanpassing geweest zijn, maar al snel werd ik overladen met levenslessen, verhalen van hun jeugdjaren, werd ik wat bemoederd en mocht ik proeven van de samenhorigheid van een echt team. Aangezien ik er een vervanging kwam doen, heb ik er maar een aantal maanden gewerkt, maar dat was genoeg om mijn studieplannen on hold te zetten en de weg op te gaan als werkende. Het afscheid met hen was hartelijk, maar blijvende vriendschappen zijn er uiteraard niet uit gegroeid.

Wanneer ik op de volgende halte van de loopbaan arriveerde, was het snel duidelijk dat het ook anders kon zijn. Tijdens mijn eerste dag wist ik al zeker dat ik zo snel mogelijk op zoek moest gaan naar iets anders. De job was echt niks voor mij en ik kwam er in een team terecht waar niemand een woordje Nederlands kon spreken. Mijn kennis van de Franse taal beperkte zich tot schoolniveau en laat ons zeggen dat ik niet vooraan stond als de hoge punten werden uitgedeeld. Ik kon mij behelpen, maar daar stopte het dan ook. De tranen stonden dan ook klaar wanneer ik op mijn eentje, de eerste dossiers in de eindeloze gangen ging klasseren. Dit ging niet werken en ik kon niet snel genoeg terug aan de slag thuis met het opstellen van nieuwe sollicitatiebrieven. Maar er ging een dag voorbij, en een andere, en dan een week en dan een maand…. En tijdens deze periode leerde ik de mensen kennen met wie ik dagelijks identieke taken moest uitvoeren. En ondanks het feit dat zij niet dezelfde ambities in het leven hadden en dus al vele jaren gekluisterd zaten in die saaie job, leerde ik hen beter kennen. En die kleine gesprekjes, ondersteund met gebaren en mimiek om mij verstaanbaar te maken, werden dag per dag langere conversaties. En plots had ik niet meer de behoefte om een andere job te gaan zoeken. Ik had een contract voor een jaar en ik zou het wel volledig uitzitten. En dit kwam niet door de job, maar dat kwam eigenlijk door de collega’s. Ik heb er toen zelfs een liefje aan overgehouden. Niet mijn beste keuze, maar tja, ik was nog maar 19 en dan maak je wel al eens een verkeerde beslissing. Het einde van mijn contract, waar ik trouwens heel blij mee was, maakte dan ook onmiddellijk een zelfde abrupte einde aan de relatie. De situatie was eigenlijk heel grappig. Ik moest op het einde van de dag naar de personeelschef, die me voorzichtig liet weten dat er geen verlenging van het contract kwam, omdat ze voor mijn tewerkstelling na een jaar, geen subsidies meer kregen. Ik was opgelucht maar durfde dat niet te tonen. Ondertussen had de personeelschef naar mijn dienst gebeld om de collega’s te verwittigen dat ik net mijn ontslag had gekregen en ze mij moesten opvangen. Wat ze niet wisten is dat ik mij als bevrijd voelde. Nu had ik terug de motivatie om ander werk te zoeken. Dus toen ik de deur opende en hun gezichten zag, bleken ze meer bedroefd te zijn dan ikzelf en mij opbeuren hoefde al helemaal niet. Een hele rare situatie dus. Zij waren ongetwijfeld een betere collega dan ik.

Op de volgende werkplaatsen heb ik wel hechte vriendschappen kunnen sluiten. Meestal bleef ik de jongste en werd ik omgeven door collega’s met beschermende neigingen. In de 8 jaren op mijn werkplek na het Brusselse avontuur, heb ik hele mooie verhalen kunnen verzamelen. Mijn naaste collega werd me zo dierbaar, dat ik dikwijls met een aantal van mijn levensvragen en onzekerheden bij haar terecht kon. Ten slotte spendeer je de meeste uren van je dag samen met je collega’s. In de jobs die nadien zijn gevolgd, heb ik opnieuw het geluk gehad om met een naaste collega te kunnen werken, waarmee ik een hele goeie band kon opbouwen. Ook zij hebben mij, naast vraagstukken over de job, ook veel antwoorden gegeven op vraagstukken over het leven. Bij elk afscheid werd er altijd de belofte gedaan om onze vriendschap in leven te houden. Ondanks alle pogingen en goeie voornemens ten spijt, heb ik geleerd dat dit geen stand houdt. De genegenheid blijft en heel af en toe brengt een lunch of toevallige hereniging, de vibes weer boven en kijk je met de nodige nostalgie terug naar de leuke tijden, maar uiteindelijk beperkt het contact zich nog tot een toevallige ontmoeting, een kort gesprekje in de winkelstraat, een gemakkelijk telefoongesprek om uiteindelijk slechts te bestaan uit een belofte om meer af te spreken.

Ik heb ondertussen ook geleerd dat collega’s niet altijd vrienden zijn of worden. En dat hoeft ook niet. Als je solliciteert voor een job, kies je voor de jobinhoud of de werkgever, maar je kiest nooit voor je collega’s. Maar ergens is dat een gegeven dat te weinig aandacht krijgt. Aangezien het geluk op de werkvloer ook heel erg wordt bepaald door de contacten met je collega’s, zou je bij een sollicitatie moeten weten in welk team je terecht komt. Iedereen kent waarschijnlijk wel het gevoel van nieuwsgierigheid wanneer je hoort dat er nieuwe collega komt. Maar iedereen kent ook het spannende gevoel als je geïntroduceerd wordt in een nieuw team. En dit kan alle kanten op gaan. Zo heb ik blijvende en mooie herinneringen aan collega’s waarmee ik heel kort de werkvloer mee heb gedeeld, maar zijn er collega’s waarmee je jaren werkt en om de een of andere reden geen connectie mee vindt.

Af en toe kom je kanjers tegen die je partner in crime worden op de werkvloer én daarbuiten. En soms vind je die goeie vriend of vriendin onder je collega’s. Zo eentje waar je dossiers mee afhandelt, ongeacht hoe complex ook, ver binnen de deadline en onder de vorm van ‘wij begrijpen elkaar’. Een collega waarmee je buiten de uren, de lokale horeca ondersteunt, waarmee je sportieve uitdagingen aangaat door kilometers lange wandelingen te maken en waarbij je terecht kan als je nood hebt aan een goeie babbel. Maar voor mij valt deze niet onder de noemer collega, maar is dit een vriendin die aanvankelijk op je pad is gekomen als collega. Eentje om te houden.

Opgebrand

Daar zit ik dan. Als een hoopje ellende op de koele grond in mijn bureau, mijn rug gesteund tegen de grijze metalen kast en mijn hoofd in mijn handen. Enkele seconden ervoor, of zijn het ondertussen al minuten, nog klaar om in discussie te gaan met de collega die net wou binnen komen. Ik zie zijn blik nog. Ik wist dat ik mij moest klaar zetten om met afdoende argumenten een opdracht te geven die hij niet kon weigeren. Ik wist dat het opnieuw pittig zou worden. Maar ik ging mij deze keer harder tonen, opnieuw de strijd proberen te winnen. Tja, dat is dus blijkbaar niet gebeurd. Want in plaats van de start van zijn pleidooi te horen, zag ik nog enkel zijn mond bewegen, maar gingen de klanken helemaal op in een echo en een groeiende druk in mijn hoofd. Mijn oren werden afgesloten, het gevoel alsof de adertjes in mijn hals met vele kleine vingertjes werden dichtgeknepen. Mijn hart vergat het ritme en de lucht leek plots verschrikkelijk zwaar om in te ademen. Hopen dat door mezelf recht te zetten, de bloeddoorstroming terug op gang zou komen. Maar in plaats van de gevraagde verbetering, diende ik de steun van de kast achter mij op te zoeken en liet ik mij zachtjes rugsteunend naar de grond leiden. Uitgeteld! Het begin van een lange periode ellende. En terwijl andere collega’s mij met zoute chips en suikervolle cola bestoken, in de veronderstelling dat mijn lichaam enkel door een flauwte heen moet, besef ik dat dit een signaal is dat ik deze keer niet meer kan negeren. Tijd om de computer af te sluiten, naar huis te bellen en een afspraak te maken met de arts. Voor het verlaten van mijn bureau, leg ik de stapels briefwisseling nog even in mijn voorziene ‘postbakje in’ en stel ik nog vlug even een vakantieboodschap in voor enkele dagen. Het zijn uiteindelijk maanden geworden.

Na een arteriepunctie, een echo van het hart via de slokdarm en het bezoek van een aantal specialisten en dokters mocht ik terug naar huis. ‘Mevrouw, je hebt een aanval van hyperventilatie gehad. Heb jij je niet wat te druk gemaakt? Heb je stress? Jouw bloeddruk staat veel te hoog’ Tja, wie heeft er nu geen stress? Als je je werk wil goed doen en je geeft je op voor verschillende leuke projecten, als je het werk ook nog eens wil combineren met een universiteitsstudie (omdat dit toch zo interessant is), als je daarbij nog eens je beste kant wil laten zien als moeder, echtgenote en vriendin en net 16 kilootjes hebt verloren door intensief sporten en diëten, dan vraagt je lichaam misschien wel eens even een time-out. Misschien moet ik dan wel even rusten.

Foto door Nataliya Vaitkevich op Pexels.com

En dan kwamen de tranen. Heel veel tranen. Zomaar en zonder verwittiging. Je naasten die je vragen waarom je huilt, maar waar je geen antwoord op kan geven want je weet het eigenlijk zelf niet. En dan kwamen die aanvallen opnieuw, weer geen zuurstof meer, opnieuw die duizeligheid, die barstende hoofdpijn. De zetel werd mijn cocon, mijn veiligheid en beperkte leefruimte. Maar toch was ik ervan overtuigd dat het wel ging lukken, zelfs alleen. Ik zit er waarschijnlijk gewoon even door. Laat mij maar een aantal dagen rusten en dat komt wel in orde.

Dan nadert de einddatum op het ziektebriefje en besef je dat het eigenlijk toch nog niet gaat lukken. Dus maak je een afspraak met de huisarts. Hij zag het. Ik ben hem nog altijd enorm dankbaar hoe hij mij uit deze periode heeft gehaald. In plaats van mij nog een week te schrijven, kreeg ik plots een maand ziekteverlof en de diagnose burn-out. Ik herinner mij nog dat ik met tranen in de ogen tegen hem zei dat hij verkeerd was. Dit was geen burn-out. Ik had daar eigenlijk nog nooit van gehoord en trouwens, ik ben toch geen profiteur zeker. Ik moet gaan werken, ze hebben me daar nodig. Wie gaat nu al die brieven en mails beantwoorden? Wie gaat dat werk organiseren? Mijn collega’s weten niet welke deadlines lopen, wie nog een antwoord op hun vraag moet krijgen of welke facturen nog moeten worden nagekeken. En terwijl ik pleit om te mogen gaan werken, kan ik mijn dokter alleen nog wazig zien door al de tranen die weer komen opzetten. Ik probeer ze nog te verdoezelen, maar krijg dan plots een zakdoekje in mijn hand gestoken met de goede raad om het ziektebriefje weg te steken en de psychologe te bellen om een afspraak te maken.

De chaos in mijn hoofd was niet meer te overzien. De nachten waren het ergst. Er ging geen nacht voorbij dat ik, badend in het zweet, overvallen door angst, lag te hopen dat dit allemaal maar een nachtmerrie was. Na een aantal nachten had ik de moed ook niet meer om mijn man wakker te maken. Ik probeerde de rust terug te vinden met de ademhalingsoefeningen die de kinesiste me had geleerd. Want daar moest ik nu ook 3 keren in de week op consultatie. Om te leren ademen. Blijkbaar deed ik dat niet goed. Zuurstof innemen. Het zou eigenlijk een automatisme moeten zijn. Iets wat men zonder nadenken, goed doet. Iets wat aangeboren zou moeten zijn. Wel ik had en heb nog steeds niet de juiste manier onder de knie. Ondanks de oefeningen, ondanks de vele podcasts, de ademhalings-appjes die aftellen wanneer je moet inademen en loslaten. Yoga en anderen instructeurs die je zeggen wanneer je buik moet opbollen en wanneer je deze richting ruggengraat moet trekken. Het hielp allemaal niks en uit pure vermoeidheid val je dan toch in slaap en word je de dag nadien wakker, met opnieuw net iets minder reserve dan de dag ervoor. Een vicieuze cirkel en geen enkel besef of oplossing om eruit te breken. De donkere gedachten die groeien, je afvragen of het nog allemaal wel zin heeft.

Ondertussen gaan we van psycholoog naar psychiater, van geen pillen, naar weigeren van pillen, naar uiteindelijk wel pillen. Maar wel met de belofte van de huisarts dat je ze maar heel even moet nemen. Heel even om je wat te helpen, om je even een ondersteuning te geven. Ik moet ze niet. Die kleine pilletjes die je afhankelijk maken, je gevoelens wegnemen en onderlijnen dat er iets mis is met je. Het was dan ook op het moment dat de dokter eiste dat ik ze nam dat ik in tegenoffensief ging. Tijd om actie te ondernemen. Tijd om baas te blijven over mijn eigen lijf. Ja, ik nam ze mooi in, maar zocht ook naar manieren om hier uit te komen zonder. Om het werk gaf ik niet meer. Ik ging de regio zelfs volledig uit de weg en was uiteindelijk blij dat de collega’s geen contact opzochten. De kinderen zagen dat er iets grondig mis was, maar waren voorzichtig. Zij waren uiteindelijk mijn reddingsboei.

De weg terug was niet altijd fraai of makkelijk, maar ik heb die gevonden. In dingen die klein leken, maar grootst zijn geweest. Zo was muziek enorm helend en ben ik gestart met dans. Tijdens die uurtjes dans, moest ik aan niks denken. Ik moest gewoon kijken hoe de choreo in elkaar zat en zo goed mogelijk trachten na te doen. Een uurtje dat mijn hoofd niet gevuld kon worden met zorgen en piekeren. Ik las heel graag, maar ik kon mij geen half uur concentreren op tekst, laat staan dat ik een boek kon doorkomen. Ik kon wel de buitenlucht opzoeken. Maar niks forceren. Ik herinner me dat ik na maanden nog eens een kappersbezoek had ingepland. Hoe dichter we bij de parking kwamen, hoe meer buikpijn ik kreeg. Het was nog te vroeg om al onder de mensen te komen en om mij aan een afspraak te houden. Maar het was niet erg. De volgende keer lukt het misschien wel. En met die ingesteldheid is het gelukt. Beetje bij beetje.

Foto door Brett Sayles op Pexels.com

En dan kwamen de plannen om er terug te staan. Dit mag mij nooit meer overkomen. In deze put wil ik nooit meer zitten. Ik zal mijn grenzen bewaken. Het zijn allemaal wel mooie doelen die je jezelf stelt maar ik moet toegeven dat ik soms nog gevaarlijk dicht in de buurt kom van mijn gestelde grenzen. Na een burn-out lijkt het alsof je constant aan een klif wandelt. Je ziet ze altijd. De ene dag is die afgrond slechts een stipje aan de horizon, de andere dag voel je het einde van de vaste grond aan het topje van je tenen. Maar omdat je weet wat die leegte en val betekent, ben je alert. Spartel je tegen. Ik ben niet meer de persoon die ik was voor de burn-out. Ik heb het gevoel dat er een voor en na is. En alhoewel ik soms nog heimwee heb naar de persoon die ik was ervoor, heb ik het gevoel dat ik mezelf nu beter ken. Mezelf wat meer in de hand heb. Ik ben van job veranderd. Heb gebroken met zaken uit het verleden, heb punten gezet achter hoofdstukken die te zwaar op me wogen, heb stenen uit mijn mentale rugzakje gehaald en heb bepaalde eisen afgezwakt. Toen ik nog heel jong was en ik had zin om een nieuwe hobby te starten, zei mijn moeder altijd tegen mij ‘als je iets wil doen, moet je zien dat je er de beste in bent. Anders moet je er niet mee beginnen’. Dit is altijd in mijn achterhoofd blijven hangen. Dit was altijd mijn moto als ik iets nieuw ging proberen. Nu besef ik dat dit de grootste onzin is dat je tegen iemand kan zeggen. En ondanks dit besef, komt dat stemmetje op fluistertoon soms nog wel eens in mijn hoofd. Ik zet dan de muziek in mijn hoofd wat luider en hoop dat die luid genoeg staat.