Cruise Control

Ik rijd niet graag met de auto. Echt niet. Ik beschouw het als een noodzakelijk kwaad en ik ga dan ook gretig op zoek naar een ander slachtoffer, om chauffeur te zijn als ik mij moet verplaatsen of als er boodschappen moeten worden gedaan. Momenteel is die rol hoofdzakelijk weggelegd voor mijn echtgenoot, maar ik leef op hoop. Mijn zoon is zich namelijk aan het voorbereiden om de testen voor zijn rijbewijs te doen. Ikzelf ben ondertussen al 18 jaar de houder van, wat ik dacht, nog het roze papiertje met de dikke vette B aan de voorkant en de pasfoto aan de binnenkant. Een pasfoto waar zelfs mijn eigen kinderen mij niet meer op herkennen. Maar na een blik in mijn portefeuille, heb ik het oud exemplaar blijkbaar toch al ingeruild voor een elektronische pas. Spijtig genoeg met een even mottige foto. Want wees nu eerlijk, wie heeft er ooit al mooie pasfoto’s gehad. Op de een of andere manier word je daarop vastgelegd in een pose of met een blik die nog verschrikkelijker is dan de blik die je op een hele vroege zondagmorgen, na een nacht zwaar doorzakken, terugkrijgt in een slecht verlichte badkamer. Want in die spiegel kan je toch nog eens zoeken naar de betere lichtinval of kan je je hoofd draaien naar je ‘goeie kant’, waarbij die kater er ook nog eens voor zorgt dat je ogen toch maar voor de helft kunnen geopend worden.

Bij de fotograaf word je op een ongemakkelijke, en voor mij veel te hoge stoel, voor een witte achtergrond gezet. Schijnt het licht te fel in je ogen en word je erop attent gemaakt dat je zeker en vast niet mag lachen. Alsof de situatie waar je op dat moment inzit, enige trigger zou kunnen zijn voor een glimlach, laat staan een echte lach, waarbij de tanden ontbloot worden. Iets wat jonge kinderen bij een fotosessie op school, dan wel altijd doen op de leeftijd waar hun voortanden net vaarwel hebben gezegd. Op het moment ook dat je graag zou hebben dat hun foto’s goed zijn, omdat je plannen hebt gemaakt voor een fijn foto-cadeau voor de grootouders.

En dan volgen de flitsen. Zodanig veel dat je omgeving enkel nog bestaat uit contouren en waartussen gekleurde bolletjes en sterretjes, in je gezichtsveld van hier naar daar vliegen. Wanneer de fotograaf na een aantal pogingen vraagt of hij er nog een aantal moet nemen, zeg je waarschijnlijk ook met het hopeloze gevoel dat er toch geen eer aan te halen is of voel je zodanig veel schaamte omdat er op dat schermpje van het digitaal toestel nog geen enkele deftige versie van jezelf is gepasseerd. En dat nadat je de lat voor jezelf al hebt verlaagd, na de tien voorbije screenshots. De haarsnit wil vandaag blijkbaar niet mee. Ook al kom je rechtstreeks van de kapper, dan nog beslist jouw coupe plots om ofwel heel onnatuurlijk te vallen, ofwel zo natuurlijk dat het lijkt alsof je net door een windvlaag op de stoel bent gevlogen en dat je haar nog altijd gedesoriënteerd is. Als resultaat reken je af en prop je dat kleine kartonnen mapje met jouw zes gloednieuwe, maar vreselijke pasfoto’s heel diep in je handtas, met de hoop dat niemand van je huisgenoten vraagt om een exemplaar krijgen om in hun portefeuille te steken. Gelukkig zijn de kinderen ondertussen de leeftijd ontgroeid om nog een foto van hun moeder op zak te hebben. De foto’s verdwijnen thuis dan misschien wel in één of ander donker hoekje, maar je kan niet ontlopen dat ze op je identiteitskaart of rijbewijs worden vereeuwigd. En elke keer wanneer je je ergens moet inschrijven, vragen ze naar je identiteitskaart om deze vervolgens te laten verdwijnen in een kaartlezer. Hierdoor komt die foto prompt in een veel te grote versie op één of ander scherm terecht en probeer je met een kwinkslag de aandacht hiervan af te leiden en de kijker te overtuigen dat pasfoto’s toch nooit echt flatterend zijn. Als we met de foto geen indruk kunnen maken, proberen we het dan toch misschien eens met wat humor. Is het niet? Dat is bij iedereen toch hè? Maar stiekem hoop je dan toch dat de persoon tegenover jou het tegendeel beweert, tegen beter weten in.

Maar terug naar de auto dus. Mijn verplaatsingen beperken zich echt tot het wegennet rond de kerktoren. Met enig schaamrood moet ik toegeven dat de autosnelweg voor mij als bestuurder, nog onaangeroerd terrein is. Desalniettemin had dit ooit een onderdeel in mijn rijlessen van de autorijschool moeten zijn. Wegens tijdsgebrek of omdat de instructeur het niet zag zitten, dat laat ik in het midden, ben ik niet op de autostrade geraakt. En nadien was de durf er niet om het op mijn eentje te wagen. Aangezien ik altijd een job had in mijn nabije omgeving, waardoor ik dus meestal te voet ging werken en aangezien ik voor mijn sociale leven voornamelijk beroep kon doen op vrienden die heel graag zelf het stuur namen, is het dus daarbij gebleven. Het zal dus mijn echtgenoot zijn die de taak krijgt om de zoon te leren rijden.

Tijdens de lockdown was het wel zalig om de wagen te nemen, want met de wagen rijden op zich, is niet moeilijk of lastig. Het is vooral de drukte van het verkeer die voor mijn stress zorgt. Ik probeer altijd mee op te gaan in het verkeer en wil vooral geen hindernis of last te zijn voor de bestuurders rondom mij. In mijn gedachten hoor ik hen in de andere auto kritiek uiten en verwijten aan mijn adres richten. Rare kronkel, ik weet het. Maar ik doe dat eigenlijk ook. Mijn aantal gelanceerde vloeken en verwijten liggen opmerkelijk hoger in de auto dan uit de auto. Ik ben ook een regeltjes-mens, dus ik erger mij enorm aan chauffeurs die daar hun voeten aan vegen. Richtingaanwijzers die er enkel voor versiering op staan, de auto die achteraan zo dicht komt rijden dat elke snelheidsvermindering van mijnentwege het risico verhoogt dat hij met zijn voertuig op mijn achterbank belandt, chauffeurs die vergeten wat voorrang of hoffelijkheid is, chauffeurs die volledige kruispunten blokkeren omdat ze inzicht ontbreken waardoor op een hele korte tijd iedereen op elkaar staat te toeteren en te vloeken. En dan heb je die bestuurders die wel hun richtingaanwijzers gebruiken, maar enkel om plots te stoppen en te beslissen niet naar een parkeerplaats te zoeken, maar gewoon wat ‘aan de kant’ te gaan staan en het liefst nog voor een bocht of een drukke rijbaan. En dit omdat ze iemand willen laten in- of uitstappen of beslissen om dat, ongetwijfeld belangrijk, telefoongesprek te voeren. Zodanig dat je op goed geluk voorbij gaat steken, in de hoop dat er geen tegenligger komt aangereden en jouw voertuig een paar metertjes kleiner maakt.

In mijn utopische en favoriete toekomstbeeld, rijdt iedereen met een zelfsturende auto en moet je enkel voor het vertrek, de bestemming ingeven, een goed muziekje lanceren, de zetel achteruit leggen en de rit vooral gebruiken als een zen-moment. Ik weet niet of ik die dag nog mag meemaken, maar intussen zullen we het dan toch moeten blijven doen zoals we bezig zijn. Ik hoop dat onze zoon de vaardigheid voor het autorijden goed onder de knie krijgt en dat mijn echtgenoot hem toch ook wat plezier van autorijden kan overbrengen. Ik zal hem dan wel eens iets anders aanleren.

Advertentie