Opgebrand

Daar zit ik dan. Als een hoopje ellende op de koele grond in mijn bureau, mijn rug gesteund tegen de grijze metalen kast en mijn hoofd in mijn handen. Enkele seconden ervoor, of zijn het ondertussen al minuten, nog klaar om in discussie te gaan met de collega die net wou binnen komen. Ik zie zijn blik nog. Ik wist dat ik mij moest klaar zetten om met afdoende argumenten een opdracht te geven die hij niet kon weigeren. Ik wist dat het opnieuw pittig zou worden. Maar ik ging mij deze keer harder tonen, opnieuw de strijd proberen te winnen. Tja, dat is dus blijkbaar niet gebeurd. Want in plaats van de start van zijn pleidooi te horen, zag ik nog enkel zijn mond bewegen, maar gingen de klanken helemaal op in een echo en een groeiende druk in mijn hoofd. Mijn oren werden afgesloten, het gevoel alsof de adertjes in mijn hals met vele kleine vingertjes werden dichtgeknepen. Mijn hart vergat het ritme en de lucht leek plots verschrikkelijk zwaar om in te ademen. Hopen dat door mezelf recht te zetten, de bloeddoorstroming terug op gang zou komen. Maar in plaats van de gevraagde verbetering, diende ik de steun van de kast achter mij op te zoeken en liet ik mij zachtjes rugsteunend naar de grond leiden. Uitgeteld! Het begin van een lange periode ellende. En terwijl andere collega’s mij met zoute chips en suikervolle cola bestoken, in de veronderstelling dat mijn lichaam enkel door een flauwte heen moet, besef ik dat dit een signaal is dat ik deze keer niet meer kan negeren. Tijd om de computer af te sluiten, naar huis te bellen en een afspraak te maken met de arts. Voor het verlaten van mijn bureau, leg ik de stapels briefwisseling nog even in mijn voorziene ‘postbakje in’ en stel ik nog vlug even een vakantieboodschap in voor enkele dagen. Het zijn uiteindelijk maanden geworden.

Na een arteriepunctie, een echo van het hart via de slokdarm en het bezoek van een aantal specialisten en dokters mocht ik terug naar huis. ‘Mevrouw, je hebt een aanval van hyperventilatie gehad. Heb jij je niet wat te druk gemaakt? Heb je stress? Jouw bloeddruk staat veel te hoog’ Tja, wie heeft er nu geen stress? Als je je werk wil goed doen en je geeft je op voor verschillende leuke projecten, als je het werk ook nog eens wil combineren met een universiteitsstudie (omdat dit toch zo interessant is), als je daarbij nog eens je beste kant wil laten zien als moeder, echtgenote en vriendin en net 16 kilootjes hebt verloren door intensief sporten en diëten, dan vraagt je lichaam misschien wel eens even een time-out. Misschien moet ik dan wel even rusten.

Foto door Nataliya Vaitkevich op Pexels.com

En dan kwamen de tranen. Heel veel tranen. Zomaar en zonder verwittiging. Je naasten die je vragen waarom je huilt, maar waar je geen antwoord op kan geven want je weet het eigenlijk zelf niet. En dan kwamen die aanvallen opnieuw, weer geen zuurstof meer, opnieuw die duizeligheid, die barstende hoofdpijn. De zetel werd mijn cocon, mijn veiligheid en beperkte leefruimte. Maar toch was ik ervan overtuigd dat het wel ging lukken, zelfs alleen. Ik zit er waarschijnlijk gewoon even door. Laat mij maar een aantal dagen rusten en dat komt wel in orde.

Dan nadert de einddatum op het ziektebriefje en besef je dat het eigenlijk toch nog niet gaat lukken. Dus maak je een afspraak met de huisarts. Hij zag het. Ik ben hem nog altijd enorm dankbaar hoe hij mij uit deze periode heeft gehaald. In plaats van mij nog een week te schrijven, kreeg ik plots een maand ziekteverlof en de diagnose burn-out. Ik herinner mij nog dat ik met tranen in de ogen tegen hem zei dat hij verkeerd was. Dit was geen burn-out. Ik had daar eigenlijk nog nooit van gehoord en trouwens, ik ben toch geen profiteur zeker. Ik moet gaan werken, ze hebben me daar nodig. Wie gaat nu al die brieven en mails beantwoorden? Wie gaat dat werk organiseren? Mijn collega’s weten niet welke deadlines lopen, wie nog een antwoord op hun vraag moet krijgen of welke facturen nog moeten worden nagekeken. En terwijl ik pleit om te mogen gaan werken, kan ik mijn dokter alleen nog wazig zien door al de tranen die weer komen opzetten. Ik probeer ze nog te verdoezelen, maar krijg dan plots een zakdoekje in mijn hand gestoken met de goede raad om het ziektebriefje weg te steken en de psychologe te bellen om een afspraak te maken.

De chaos in mijn hoofd was niet meer te overzien. De nachten waren het ergst. Er ging geen nacht voorbij dat ik, badend in het zweet, overvallen door angst, lag te hopen dat dit allemaal maar een nachtmerrie was. Na een aantal nachten had ik de moed ook niet meer om mijn man wakker te maken. Ik probeerde de rust terug te vinden met de ademhalingsoefeningen die de kinesiste me had geleerd. Want daar moest ik nu ook 3 keren in de week op consultatie. Om te leren ademen. Blijkbaar deed ik dat niet goed. Zuurstof innemen. Het zou eigenlijk een automatisme moeten zijn. Iets wat men zonder nadenken, goed doet. Iets wat aangeboren zou moeten zijn. Wel ik had en heb nog steeds niet de juiste manier onder de knie. Ondanks de oefeningen, ondanks de vele podcasts, de ademhalings-appjes die aftellen wanneer je moet inademen en loslaten. Yoga en anderen instructeurs die je zeggen wanneer je buik moet opbollen en wanneer je deze richting ruggengraat moet trekken. Het hielp allemaal niks en uit pure vermoeidheid val je dan toch in slaap en word je de dag nadien wakker, met opnieuw net iets minder reserve dan de dag ervoor. Een vicieuze cirkel en geen enkel besef of oplossing om eruit te breken. De donkere gedachten die groeien, je afvragen of het nog allemaal wel zin heeft.

Ondertussen gaan we van psycholoog naar psychiater, van geen pillen, naar weigeren van pillen, naar uiteindelijk wel pillen. Maar wel met de belofte van de huisarts dat je ze maar heel even moet nemen. Heel even om je wat te helpen, om je even een ondersteuning te geven. Ik moet ze niet. Die kleine pilletjes die je afhankelijk maken, je gevoelens wegnemen en onderlijnen dat er iets mis is met je. Het was dan ook op het moment dat de dokter eiste dat ik ze nam dat ik in tegenoffensief ging. Tijd om actie te ondernemen. Tijd om baas te blijven over mijn eigen lijf. Ja, ik nam ze mooi in, maar zocht ook naar manieren om hier uit te komen zonder. Om het werk gaf ik niet meer. Ik ging de regio zelfs volledig uit de weg en was uiteindelijk blij dat de collega’s geen contact opzochten. De kinderen zagen dat er iets grondig mis was, maar waren voorzichtig. Zij waren uiteindelijk mijn reddingsboei.

De weg terug was niet altijd fraai of makkelijk, maar ik heb die gevonden. In dingen die klein leken, maar grootst zijn geweest. Zo was muziek enorm helend en ben ik gestart met dans. Tijdens die uurtjes dans, moest ik aan niks denken. Ik moest gewoon kijken hoe de choreo in elkaar zat en zo goed mogelijk trachten na te doen. Een uurtje dat mijn hoofd niet gevuld kon worden met zorgen en piekeren. Ik las heel graag, maar ik kon mij geen half uur concentreren op tekst, laat staan dat ik een boek kon doorkomen. Ik kon wel de buitenlucht opzoeken. Maar niks forceren. Ik herinner me dat ik na maanden nog eens een kappersbezoek had ingepland. Hoe dichter we bij de parking kwamen, hoe meer buikpijn ik kreeg. Het was nog te vroeg om al onder de mensen te komen en om mij aan een afspraak te houden. Maar het was niet erg. De volgende keer lukt het misschien wel. En met die ingesteldheid is het gelukt. Beetje bij beetje.

Foto door Brett Sayles op Pexels.com

En dan kwamen de plannen om er terug te staan. Dit mag mij nooit meer overkomen. In deze put wil ik nooit meer zitten. Ik zal mijn grenzen bewaken. Het zijn allemaal wel mooie doelen die je jezelf stelt maar ik moet toegeven dat ik soms nog gevaarlijk dicht in de buurt kom van mijn gestelde grenzen. Na een burn-out lijkt het alsof je constant aan een klif wandelt. Je ziet ze altijd. De ene dag is die afgrond slechts een stipje aan de horizon, de andere dag voel je het einde van de vaste grond aan het topje van je tenen. Maar omdat je weet wat die leegte en val betekent, ben je alert. Spartel je tegen. Ik ben niet meer de persoon die ik was voor de burn-out. Ik heb het gevoel dat er een voor en na is. En alhoewel ik soms nog heimwee heb naar de persoon die ik was ervoor, heb ik het gevoel dat ik mezelf nu beter ken. Mezelf wat meer in de hand heb. Ik ben van job veranderd. Heb gebroken met zaken uit het verleden, heb punten gezet achter hoofdstukken die te zwaar op me wogen, heb stenen uit mijn mentale rugzakje gehaald en heb bepaalde eisen afgezwakt. Toen ik nog heel jong was en ik had zin om een nieuwe hobby te starten, zei mijn moeder altijd tegen mij ‘als je iets wil doen, moet je zien dat je er de beste in bent. Anders moet je er niet mee beginnen’. Dit is altijd in mijn achterhoofd blijven hangen. Dit was altijd mijn moto als ik iets nieuw ging proberen. Nu besef ik dat dit de grootste onzin is dat je tegen iemand kan zeggen. En ondanks dit besef, komt dat stemmetje op fluistertoon soms nog wel eens in mijn hoofd. Ik zet dan de muziek in mijn hoofd wat luider en hoop dat die luid genoeg staat.

Advertentie

Een omslag van Bakker

Ik heb altijd al willen schrijven. Als klein meisje had ik twee toekomstdromen. Ofwel zou ik schrijfster worden, ofwel zangeres. Tja, als er mij nu wordt gevraagd in welk beroepsvakje ik nu kan gaan staan, dan moet ik spijtig genoeg vaststellen dat ik met deze twee dromen blijkbaar niks heb gedaan. Toch niet publiekelijk. Maar je wil niet weten hoe dikwijls ik thuis, liefst wanneer iedere huisgenoot vertrokken is, alle deuren en ramen heb gesloten en luidkeels heb meegezongen met een heel repertoire liedjes. Uiteraard volledig in uitvoering gebracht met het nodige drama, de opbouwende power en intensiteit wanneer het liedje dat vroeg, en indien nodig de zachte lieftalligheid bij een innemende ballade. Want een performance geven doe je met hart en ziel. Maar die van mij mag niemand zien of horen. Toch niemand die ik ken. Zo voel ik nog de gène van het moment wanneer ik op een heel vroeg uur, alleen in de auto en op weg naar het werk, voor het rode licht, een liedje van Anastasia meezong met aangepaste mimiek, armbewegingen en nog zoveel meer. Me uiteraard niet onmiddellijk bewust dat er een auto naast mij was gestopt en die, dankzij dit stopmoment, plots getrakteerd werd op ongewone animatie in het verkeer. Het was op het moment dat ik me bekeken voelde, dat ik mijn hoofd naar links draaide en oog in oog kwam te staan met een chauffeur die net ongevraagd getuige was van mijn optreden. Hij maakte onmiddellijk duidelijk dat hij alles goed had gezien en stak geamuseerd zijn duim omhoog. Op dat moment moeten mijn kaken even rood zijn geworden als het stoplicht voor ons, en vervloekte ik de instellingen van de verkeerslichten omdat ze geen haast hadden om op groen te springen. Aangezien ik dus geen enkele zanger of zangeres ken die niet durft te zingen voor een publiek, heb ik dus een bijkomende reden om deze droom ten grave te dragen.

Zo rust dus nog het volledige vertrouwen op het schrijven. En schrijven, dat heb ik altijd al graag gedaan. Toen ik nog in de kleuterklas zat, had ik een schriftje thuis waar ik meerdere pogingen deed om de lettertjes al na ‘te tekenen’, mooi binnen de voorziene lijntjes. Er ging dus voor mij een hele wereld open van zodra ik in het eerste leerjaar, de tien tekeningen met zinnen, boven het bord zag hangen. Een man met een aap, het is vier uur, de bijl van oom,…. Ik kon niet wachten om de hele rij af te gaan. Ik was dan ook nog maar zeven jaar wanneer ik mijn eerste poging deed om een brief te schrijven. En om het al helemaal spannend te maken, was dat een liefdesbriefje. Wat er allemaal in stond, kan ik mij niet echt meer volledig herinneren. Wel was er sprake van koekjes meebrengen voor elkaar en de vraag om tijdens de speeltijd op school, ervoor te zorgen dat hij tijd met mij doorbracht in plaats van met die andere meisjes van de klas. Kwestie van toen al wat territorium af te bakenen zeker? Wat ik mij ook nog heel goed herinner, was de omslag die ik gebruikte om mijn toenmalige proza in te stoppen. In die tijd kregen we thuis zoals bij vele gezinnen, op regelmatige tijdstippen een catalogus van Bakker. Je kon bij hen zaden, bloembollen, potgrond, planten en bloemen bestellen. Op het einde van de catalogus hing dan een invulformulier en dat moest je dan in de voorziene omslag in de postbus gaan droppen. Mijn ouders hadden van deze keer nog niks besteld en ik vond dus dat die envelop wel eens anders kon worden gebruikt. Daarenboven stond er nog eens een bloemetje op ook. Ideaal om indruk mee te maken. De jongen in kwestie kwam zo goed als dagelijks, iets voorbij onze deur spelen, samen met andere kinderen uit de buurt. Mijn zus en ik mochten echter niet verder dan onze oprit en gaan spelen met de kinderen uit de buurt was al helemaal uit den boze. Toen mijn moeder dus op de oprit, de auto aan het wassen was, had ik wel ergens de gelegenheid gezien om het briefje vlug en verdoken aan iemand door te geven, met de vraag om het aan die jongen te bezorgen. Maar wat ik als verdoken had beschouwd, moet in de ogen van mijn moeder vrij duidelijk zijn geweest. Resultaat was dat het briefje werd onderschept en dat ik naar binnen werd gestuurd. Niet lang daarna volgde wat men noemt een opvoedkundig gesprek van ouder tot kind. Ik herinner mij van dat gesprek eigenlijk vrij weinig. Er is maar één ding dat ik wel heb onthouden, toen ze zei dat ik voor iemand van zeven jaar al verdomd goeie liefdesbrieven kon schrijven. Meer moest ik niet meer weten….