Ruzie met de weegschaal

Er werd tegen me geschreeuwd deze morgen. Toen ik, met de slaap nog in mijn ogen, naar de badkamer ging, heb ik mij op de weegschaal gezet en die was niet blij. In plaats van cijfers te lezen, hoorde ik mijn weegschaal de duidelijke boodschap roepen : ‘wanneer ga jij eindelijk nog eens sporten?’ En dit was eigenlijk geen vraag, maar eerder een bevel om de hoop niet op te geven om die cijfers eindelijk eens naar beneden te zien gaan. Ik moest al eens nadenken wanneer die haatverhouding met de weegschaal eigenlijk was begonnen, maar het was een feit dat ze heel levendig was. Toch kan ik het niet laten om elke dag een meting te doen. Het liefste nog voor de tanden gepoetst zijn of voor ik nog maar in aanraking geweest ben met een druppel water. Maar wel na het bezoek aan onze porseleinen relax in het kleinste kamertje. Tja, elk mogelijk gewichtje dat ik kan achterlaten, kan helpen zeker? En telkens probeer ik even mijn ogen te sluiten en te hopen dat, als ik het display bekijk, ik daar een cijfer zie dat me enigszins weer de moed geeft om iets meer bewust om te gaan met wat ik die dag weer ga eten en drinken. Als het cijfer teleur stelt, zijn de goede voornemens voor de dag sowieso weer ten dode opgeschreven. Maar waarom is het ook zo moeilijk geworden om gewicht te verliezen. Vroeger gingen de kilootjes er af als ik mij even wat inspande. Nu mag ik al blij zijn om, na een aantal dagen uithongeren en nee zeggen tegen de aperitief-momentjes, het cijfertje na de komma slechts één of misschien toch een aantal cijfertjes te zien zakken. Het is dus logisch dat ik deze morgen de boodschap van meer beweging in mijn hoofd heb horen galmen. Ik beweeg ook te weinig.

Ik moet nog steeds lachen met de grap ‘als je me ziet lopen, loop dan ook, want ik loop enkel weg van gevaar’. Het is nochtans ooit anders geweest. Ik heb wel wat sport gedaan en eigenlijk vond ik de sportlessen tijdens de schooljaren super. Zo ging ik ooit samen met mijn zus op atletiek. De atletiekbaan in Sint-Gillis werd onze wekelijkse place to be en ik hield ervan. Om te starten moesten we vier keren de piste lopen. Loslopen noemden ze dat. Laat ons zeggen dat dit het minst leuke van de avond was. De eerste weken waren de meeste krachten al verspeeld na deze eerste opdracht, maar na een aantal weken, draaide ik daar mijn hand niet meer voor om. Sprinten was mijn favoriet. En ik moet zeggen dat die korte afstand sprinten me soms het gevoel gaf te zweven. Raakte ik eigenlijk de grond nog? Waarom mijn ouders de plotse beslissing namen om ons niet meer naar de lessen te brengen, is mij altijd onbekend gebleven, maar ik heb het wel gemist.

Jaren nadien kwamen ze thuis op het idee dat badminton een sport was dat we als gezin en met vrienden, samen konden doen. Er werd dus een zaal in de plaatselijke sporthal gehuurd en we spraken elke dinsdag af om in volledige outfit, het beste van onszelf te geven in dat veredelde strandspel. En snel kwam ik erachter dat badminton best intensief en enorm leuk kon zijn. Het competitieve in mij zorgde ervoor dat ik al snel de vrouwenploeg links liet liggen en zo kwam ik in de ploeg van de mannen terecht. Toen bleek kniebescherming nodig te zijn, want om het pluimpje in de lucht te houden, werd geen enkele inspanning vermeden in de lucht of op de grond. Het resultaat was dan wel dat na enkele maanden, ondanks de kniebescherming, er kleine botstukjes van mijn knieschijf waren losgekomen en zich een onderkomen in het gewricht hadden gezocht. Gedaan met badminton dus en balen op de bank. Ik mocht wel nog mee om de score bij te houden. Ik zocht niet direct een excuus om thuis te mogen blijven, want ondanks het feit dat ik geen rode wangen meer kreeg van de inspanningen op het veld, bleef ik die rode wangen wel behouden voor een jonge mannelijke medespeler die elke week van de partij was. Een goede score bij hem behalen is me uiteindelijk toch niet gelukt, maar ik heb wel zolang mogelijk getracht om in de game te blijven.

Als meisje had ik ook wel veel interesse in het voetbal. Ik stond altijd vooraan als de jongens van de klas, tijdens de middagpauze een ploeg vormden om een potje te spelen. En meermaals mocht ik toch het geïmproviseerde veld op. Naast die leuke momenten herinner ik mij vooral een zware val op de betontegels, toen een vriend van zeker een kop groter dan mezelf en dubbel mijn gewicht, in volle vaart op me kwam afgelopen en ik vastberaden was om niet opzij te gaan. Ik denk zelfs dat ik naar hem nog heb geroepen dat ik niet zou wijken. Maar een duw met zijn schouder tegen die van mij en ik kwam met een hele harde smak op mijn rechterzijde terecht. Aangezien mijn heup het eerst de tegels raakte, heb ik weken met een heup rondgelopen die verkleurde van zwart naar paars naar blauw. Lopen of wandelen was moeilijk, maar ik durfde tegen niemand zeggen hoeveel pijn ik wel had, omdat het een meisje niet betaamde om met een groep beren, te voetballen tijdens de middagpauze. Vele jaren nadien heb ik aan die voetbalkriebel wel nog eens een gevolg gegeven door een damesploegje op te richten met een aantal collega’s. Wij waren de Chickies en we hebben ons kostelijk geamuseerd. We waren zo amateuristisch en hebben nooit tegen een ander ploegje gespeeld, maar de maanden dat we ons uurtje gingen voetballen, probeerden we enkele basisvaardigheden onder de knie te krijgen en speelden we onderling samen. We hadden het geluk dat we een trainer konden strikken, maar onder de voorwaarde om ons enkel een paar lessen te geven en zonder verder engagement. Die paar lessen bleven gelukkig duren en het deed me deugd dat ik af en toe wel een stiekeme glimlach op zijn gezicht kon bespeuren, toen hij ons voor de zoveelste keer nog eens moest tonen hoe een bal onder controle te houden. Ik denk dat hij ons wel grappig en gek vond bij momenten. Gelukkig hebben we nooit tegen een andere ploeg gespeeld, want deze zou ons zo hebben ingemaakt. Ik herinner mij vooral ook het plezier, passie en de gedrevenheid van mijn vriendin Sybille. Niet lang nadat we zijn gestopt met ons ploegje is ze ernstig ziek geworden en overleden. Ik mis nog altijd heel veel van haar, maar onze gezamenlijke voetbalmomenten, staan ongetwijfeld in mijn top van meest amusante tijden samen. Tijdens die voetbalperiode was zij voor mij onze mascotte. Zij zorgde ervoor om geen enkele training te missen en het was heerlijk om haar bij ons op het veld te hebben. Hoe zij het plein en spel opeiste door haar aanwezigheid en kracht, kon volgens mij door niemand van ons worden geëvenaard en alles gecombineerd met een overweldigende lach.

En dan waren er nog de pogingen om gewicht te verliezen en spieren op te bouwen, door mij in te schrijven in een fitnesscentrum. Om resultaten te krijgen riep ik hierbij de hulp in van een personal coach. En gelukkig heb ik dit toen gedaan, want het zou me anders nooit gelukt zijn om vol te houden. Ik ben geen fan van de sfeer in een fitnessclub. De meeste staan daar in een outfit, duurder dan het jaarabonnement van de club zelf en kunnen meestal al pronken met nog net geen six-pack, staan daar uren te lopen op de loopband zonder een druppel zweet te produceren, terwijl ze het nieuwste sportdrankje aan hun lippen zetten. Als ik al het geluk heb om mijn drinkfles tijdens het lopen in mijn mond te krijgen, verslik ik mij ongetwijfeld of loopt er de helft naast. Naast de crossfit-toestellen, loopbanden en fietsen, heb je iets verder meestal de toestellen om spieren te kweken. Ligt het aan mij, maar ik zie daar nooit vrouwen trainen. Steeds wordt de ruimte bevolkt door zelfzekere mannen in heel spannende t-shirt met een air van m’a tu vu. Genoeg lawaai aan het maken, zodat iedereen toch heeft opgemerkt wat een massa gewicht er door de broer van de Hulk, in de lucht wordt gehouden.
En omwille van het ontbreken van dames met een kilootjes meer, zwoegend en zwetend omdat de opgelegde inspanningen toch niet vanzelf gaan, omwille van het ontbreken van normale mannen die komen om hun gezondheid en conditie voorop te stellen in plaats van de testosteron rond te strooien bij het aanwezige vrouwelijke publiek, zal ik mij niet meer laten overhalen om nog eens een abonnement met domiciliëring te nemen, waarvoor je bijna bovenmenselijke inspanningen moet doen om dit ooit geannuleerd te krijgen.

Maar mijn grootste sportieve passie was ongetwijfeld het dansen. Door de uitbraak van corona heb ik hier een punt moeten achter zetten en dit heeft pijn gedaan. Stiekem hoop ik de draad nog eens te kunnen opnemen, maar de leeftijd heeft ondertussen ook een zeggenschap gekregen in die beslissing. Toen ik na mijn burn-out een bezigheid zocht om mijn gedachten te verzetten, heb ik mij door een aantal vriendinnen laten overhalen om een uurtje te gaan dansen. Iets wat ik als heel jong meisje ook nog eens kort had gedaan en waarvan ik ooit had gedroomd om ballerina te kunnen worden. Wat begon als één uurtje in de week is geëindigd in vijf uren in de week. Van modern, tot streetdance en ragga, het heeft me allemaal geboeid. Het was dan ook de meest intensieve periode op gebied van sporten, want dansen vraagt kracht, lenigheid, spierbeheersing, evenwicht zowel mentaal als fysiek en een enorm uithoudingsvermogen. Ik deed dat zo graag dat ik wel eens een aparte blog zal schrijven hierover.

Kortom, mijn lichaam zou dus dringend moeten kunnen sporten, maar het is heel kieskeurig want er zijn meer sporten die ik niet wil doen, dan wel. Ik zal dus eens heel goed moeten nadenken vooraleer ik mijn weegschaal haar zin ga geven. En ondertussen zal ik proberen om die chips en aperitiefjes iets meer de rug te keren, de voorlopig ongespierde rug welteverstaan.