Cruise Control

Ik rijd niet graag met de auto. Echt niet. Ik beschouw het als een noodzakelijk kwaad en ik ga dan ook gretig op zoek naar een ander slachtoffer, om chauffeur te zijn als ik mij moet verplaatsen of als er boodschappen moeten worden gedaan. Momenteel is die rol hoofdzakelijk weggelegd voor mijn echtgenoot, maar ik leef op hoop. Mijn zoon is zich namelijk aan het voorbereiden om de testen voor zijn rijbewijs te doen. Ikzelf ben ondertussen al 18 jaar de houder van, wat ik dacht, nog het roze papiertje met de dikke vette B aan de voorkant en de pasfoto aan de binnenkant. Een pasfoto waar zelfs mijn eigen kinderen mij niet meer op herkennen. Maar na een blik in mijn portefeuille, heb ik het oud exemplaar blijkbaar toch al ingeruild voor een elektronische pas. Spijtig genoeg met een even mottige foto. Want wees nu eerlijk, wie heeft er ooit al mooie pasfoto’s gehad. Op de een of andere manier word je daarop vastgelegd in een pose of met een blik die nog verschrikkelijker is dan de blik die je op een hele vroege zondagmorgen, na een nacht zwaar doorzakken, terugkrijgt in een slecht verlichte badkamer. Want in die spiegel kan je toch nog eens zoeken naar de betere lichtinval of kan je je hoofd draaien naar je ‘goeie kant’, waarbij die kater er ook nog eens voor zorgt dat je ogen toch maar voor de helft kunnen geopend worden.

Bij de fotograaf word je op een ongemakkelijke, en voor mij veel te hoge stoel, voor een witte achtergrond gezet. Schijnt het licht te fel in je ogen en word je erop attent gemaakt dat je zeker en vast niet mag lachen. Alsof de situatie waar je op dat moment inzit, enige trigger zou kunnen zijn voor een glimlach, laat staan een echte lach, waarbij de tanden ontbloot worden. Iets wat jonge kinderen bij een fotosessie op school, dan wel altijd doen op de leeftijd waar hun voortanden net vaarwel hebben gezegd. Op het moment ook dat je graag zou hebben dat hun foto’s goed zijn, omdat je plannen hebt gemaakt voor een fijn foto-cadeau voor de grootouders.

En dan volgen de flitsen. Zodanig veel dat je omgeving enkel nog bestaat uit contouren en waartussen gekleurde bolletjes en sterretjes, in je gezichtsveld van hier naar daar vliegen. Wanneer de fotograaf na een aantal pogingen vraagt of hij er nog een aantal moet nemen, zeg je waarschijnlijk ook met het hopeloze gevoel dat er toch geen eer aan te halen is of voel je zodanig veel schaamte omdat er op dat schermpje van het digitaal toestel nog geen enkele deftige versie van jezelf is gepasseerd. En dat nadat je de lat voor jezelf al hebt verlaagd, na de tien voorbije screenshots. De haarsnit wil vandaag blijkbaar niet mee. Ook al kom je rechtstreeks van de kapper, dan nog beslist jouw coupe plots om ofwel heel onnatuurlijk te vallen, ofwel zo natuurlijk dat het lijkt alsof je net door een windvlaag op de stoel bent gevlogen en dat je haar nog altijd gedesoriënteerd is. Als resultaat reken je af en prop je dat kleine kartonnen mapje met jouw zes gloednieuwe, maar vreselijke pasfoto’s heel diep in je handtas, met de hoop dat niemand van je huisgenoten vraagt om een exemplaar krijgen om in hun portefeuille te steken. Gelukkig zijn de kinderen ondertussen de leeftijd ontgroeid om nog een foto van hun moeder op zak te hebben. De foto’s verdwijnen thuis dan misschien wel in één of ander donker hoekje, maar je kan niet ontlopen dat ze op je identiteitskaart of rijbewijs worden vereeuwigd. En elke keer wanneer je je ergens moet inschrijven, vragen ze naar je identiteitskaart om deze vervolgens te laten verdwijnen in een kaartlezer. Hierdoor komt die foto prompt in een veel te grote versie op één of ander scherm terecht en probeer je met een kwinkslag de aandacht hiervan af te leiden en de kijker te overtuigen dat pasfoto’s toch nooit echt flatterend zijn. Als we met de foto geen indruk kunnen maken, proberen we het dan toch misschien eens met wat humor. Is het niet? Dat is bij iedereen toch hè? Maar stiekem hoop je dan toch dat de persoon tegenover jou het tegendeel beweert, tegen beter weten in.

Maar terug naar de auto dus. Mijn verplaatsingen beperken zich echt tot het wegennet rond de kerktoren. Met enig schaamrood moet ik toegeven dat de autosnelweg voor mij als bestuurder, nog onaangeroerd terrein is. Desalniettemin had dit ooit een onderdeel in mijn rijlessen van de autorijschool moeten zijn. Wegens tijdsgebrek of omdat de instructeur het niet zag zitten, dat laat ik in het midden, ben ik niet op de autostrade geraakt. En nadien was de durf er niet om het op mijn eentje te wagen. Aangezien ik altijd een job had in mijn nabije omgeving, waardoor ik dus meestal te voet ging werken en aangezien ik voor mijn sociale leven voornamelijk beroep kon doen op vrienden die heel graag zelf het stuur namen, is het dus daarbij gebleven. Het zal dus mijn echtgenoot zijn die de taak krijgt om de zoon te leren rijden.

Tijdens de lockdown was het wel zalig om de wagen te nemen, want met de wagen rijden op zich, is niet moeilijk of lastig. Het is vooral de drukte van het verkeer die voor mijn stress zorgt. Ik probeer altijd mee op te gaan in het verkeer en wil vooral geen hindernis of last te zijn voor de bestuurders rondom mij. In mijn gedachten hoor ik hen in de andere auto kritiek uiten en verwijten aan mijn adres richten. Rare kronkel, ik weet het. Maar ik doe dat eigenlijk ook. Mijn aantal gelanceerde vloeken en verwijten liggen opmerkelijk hoger in de auto dan uit de auto. Ik ben ook een regeltjes-mens, dus ik erger mij enorm aan chauffeurs die daar hun voeten aan vegen. Richtingaanwijzers die er enkel voor versiering op staan, de auto die achteraan zo dicht komt rijden dat elke snelheidsvermindering van mijnentwege het risico verhoogt dat hij met zijn voertuig op mijn achterbank belandt, chauffeurs die vergeten wat voorrang of hoffelijkheid is, chauffeurs die volledige kruispunten blokkeren omdat ze inzicht ontbreken waardoor op een hele korte tijd iedereen op elkaar staat te toeteren en te vloeken. En dan heb je die bestuurders die wel hun richtingaanwijzers gebruiken, maar enkel om plots te stoppen en te beslissen niet naar een parkeerplaats te zoeken, maar gewoon wat ‘aan de kant’ te gaan staan en het liefst nog voor een bocht of een drukke rijbaan. En dit omdat ze iemand willen laten in- of uitstappen of beslissen om dat, ongetwijfeld belangrijk, telefoongesprek te voeren. Zodanig dat je op goed geluk voorbij gaat steken, in de hoop dat er geen tegenligger komt aangereden en jouw voertuig een paar metertjes kleiner maakt.

In mijn utopische en favoriete toekomstbeeld, rijdt iedereen met een zelfsturende auto en moet je enkel voor het vertrek, de bestemming ingeven, een goed muziekje lanceren, de zetel achteruit leggen en de rit vooral gebruiken als een zen-moment. Ik weet niet of ik die dag nog mag meemaken, maar intussen zullen we het dan toch moeten blijven doen zoals we bezig zijn. Ik hoop dat onze zoon de vaardigheid voor het autorijden goed onder de knie krijgt en dat mijn echtgenoot hem toch ook wat plezier van autorijden kan overbrengen. Ik zal hem dan wel eens iets anders aanleren.

Opgebrand

Daar zit ik dan. Als een hoopje ellende op de koele grond in mijn bureau, mijn rug gesteund tegen de grijze metalen kast en mijn hoofd in mijn handen. Enkele seconden ervoor, of zijn het ondertussen al minuten, nog klaar om in discussie te gaan met de collega die net wou binnen komen. Ik zie zijn blik nog. Ik wist dat ik mij moest klaar zetten om met afdoende argumenten een opdracht te geven die hij niet kon weigeren. Ik wist dat het opnieuw pittig zou worden. Maar ik ging mij deze keer harder tonen, opnieuw de strijd proberen te winnen. Tja, dat is dus blijkbaar niet gebeurd. Want in plaats van de start van zijn pleidooi te horen, zag ik nog enkel zijn mond bewegen, maar gingen de klanken helemaal op in een echo en een groeiende druk in mijn hoofd. Mijn oren werden afgesloten, het gevoel alsof de adertjes in mijn hals met vele kleine vingertjes werden dichtgeknepen. Mijn hart vergat het ritme en de lucht leek plots verschrikkelijk zwaar om in te ademen. Hopen dat door mezelf recht te zetten, de bloeddoorstroming terug op gang zou komen. Maar in plaats van de gevraagde verbetering, diende ik de steun van de kast achter mij op te zoeken en liet ik mij zachtjes rugsteunend naar de grond leiden. Uitgeteld! Het begin van een lange periode ellende. En terwijl andere collega’s mij met zoute chips en suikervolle cola bestoken, in de veronderstelling dat mijn lichaam enkel door een flauwte heen moet, besef ik dat dit een signaal is dat ik deze keer niet meer kan negeren. Tijd om de computer af te sluiten, naar huis te bellen en een afspraak te maken met de arts. Voor het verlaten van mijn bureau, leg ik de stapels briefwisseling nog even in mijn voorziene ‘postbakje in’ en stel ik nog vlug even een vakantieboodschap in voor enkele dagen. Het zijn uiteindelijk maanden geworden.

Na een arteriepunctie, een echo van het hart via de slokdarm en het bezoek van een aantal specialisten en dokters mocht ik terug naar huis. ‘Mevrouw, je hebt een aanval van hyperventilatie gehad. Heb jij je niet wat te druk gemaakt? Heb je stress? Jouw bloeddruk staat veel te hoog’ Tja, wie heeft er nu geen stress? Als je je werk wil goed doen en je geeft je op voor verschillende leuke projecten, als je het werk ook nog eens wil combineren met een universiteitsstudie (omdat dit toch zo interessant is), als je daarbij nog eens je beste kant wil laten zien als moeder, echtgenote en vriendin en net 16 kilootjes hebt verloren door intensief sporten en diëten, dan vraagt je lichaam misschien wel eens even een time-out. Misschien moet ik dan wel even rusten.

Foto door Nataliya Vaitkevich op Pexels.com

En dan kwamen de tranen. Heel veel tranen. Zomaar en zonder verwittiging. Je naasten die je vragen waarom je huilt, maar waar je geen antwoord op kan geven want je weet het eigenlijk zelf niet. En dan kwamen die aanvallen opnieuw, weer geen zuurstof meer, opnieuw die duizeligheid, die barstende hoofdpijn. De zetel werd mijn cocon, mijn veiligheid en beperkte leefruimte. Maar toch was ik ervan overtuigd dat het wel ging lukken, zelfs alleen. Ik zit er waarschijnlijk gewoon even door. Laat mij maar een aantal dagen rusten en dat komt wel in orde.

Dan nadert de einddatum op het ziektebriefje en besef je dat het eigenlijk toch nog niet gaat lukken. Dus maak je een afspraak met de huisarts. Hij zag het. Ik ben hem nog altijd enorm dankbaar hoe hij mij uit deze periode heeft gehaald. In plaats van mij nog een week te schrijven, kreeg ik plots een maand ziekteverlof en de diagnose burn-out. Ik herinner mij nog dat ik met tranen in de ogen tegen hem zei dat hij verkeerd was. Dit was geen burn-out. Ik had daar eigenlijk nog nooit van gehoord en trouwens, ik ben toch geen profiteur zeker. Ik moet gaan werken, ze hebben me daar nodig. Wie gaat nu al die brieven en mails beantwoorden? Wie gaat dat werk organiseren? Mijn collega’s weten niet welke deadlines lopen, wie nog een antwoord op hun vraag moet krijgen of welke facturen nog moeten worden nagekeken. En terwijl ik pleit om te mogen gaan werken, kan ik mijn dokter alleen nog wazig zien door al de tranen die weer komen opzetten. Ik probeer ze nog te verdoezelen, maar krijg dan plots een zakdoekje in mijn hand gestoken met de goede raad om het ziektebriefje weg te steken en de psychologe te bellen om een afspraak te maken.

De chaos in mijn hoofd was niet meer te overzien. De nachten waren het ergst. Er ging geen nacht voorbij dat ik, badend in het zweet, overvallen door angst, lag te hopen dat dit allemaal maar een nachtmerrie was. Na een aantal nachten had ik de moed ook niet meer om mijn man wakker te maken. Ik probeerde de rust terug te vinden met de ademhalingsoefeningen die de kinesiste me had geleerd. Want daar moest ik nu ook 3 keren in de week op consultatie. Om te leren ademen. Blijkbaar deed ik dat niet goed. Zuurstof innemen. Het zou eigenlijk een automatisme moeten zijn. Iets wat men zonder nadenken, goed doet. Iets wat aangeboren zou moeten zijn. Wel ik had en heb nog steeds niet de juiste manier onder de knie. Ondanks de oefeningen, ondanks de vele podcasts, de ademhalings-appjes die aftellen wanneer je moet inademen en loslaten. Yoga en anderen instructeurs die je zeggen wanneer je buik moet opbollen en wanneer je deze richting ruggengraat moet trekken. Het hielp allemaal niks en uit pure vermoeidheid val je dan toch in slaap en word je de dag nadien wakker, met opnieuw net iets minder reserve dan de dag ervoor. Een vicieuze cirkel en geen enkel besef of oplossing om eruit te breken. De donkere gedachten die groeien, je afvragen of het nog allemaal wel zin heeft.

Ondertussen gaan we van psycholoog naar psychiater, van geen pillen, naar weigeren van pillen, naar uiteindelijk wel pillen. Maar wel met de belofte van de huisarts dat je ze maar heel even moet nemen. Heel even om je wat te helpen, om je even een ondersteuning te geven. Ik moet ze niet. Die kleine pilletjes die je afhankelijk maken, je gevoelens wegnemen en onderlijnen dat er iets mis is met je. Het was dan ook op het moment dat de dokter eiste dat ik ze nam dat ik in tegenoffensief ging. Tijd om actie te ondernemen. Tijd om baas te blijven over mijn eigen lijf. Ja, ik nam ze mooi in, maar zocht ook naar manieren om hier uit te komen zonder. Om het werk gaf ik niet meer. Ik ging de regio zelfs volledig uit de weg en was uiteindelijk blij dat de collega’s geen contact opzochten. De kinderen zagen dat er iets grondig mis was, maar waren voorzichtig. Zij waren uiteindelijk mijn reddingsboei.

De weg terug was niet altijd fraai of makkelijk, maar ik heb die gevonden. In dingen die klein leken, maar grootst zijn geweest. Zo was muziek enorm helend en ben ik gestart met dans. Tijdens die uurtjes dans, moest ik aan niks denken. Ik moest gewoon kijken hoe de choreo in elkaar zat en zo goed mogelijk trachten na te doen. Een uurtje dat mijn hoofd niet gevuld kon worden met zorgen en piekeren. Ik las heel graag, maar ik kon mij geen half uur concentreren op tekst, laat staan dat ik een boek kon doorkomen. Ik kon wel de buitenlucht opzoeken. Maar niks forceren. Ik herinner me dat ik na maanden nog eens een kappersbezoek had ingepland. Hoe dichter we bij de parking kwamen, hoe meer buikpijn ik kreeg. Het was nog te vroeg om al onder de mensen te komen en om mij aan een afspraak te houden. Maar het was niet erg. De volgende keer lukt het misschien wel. En met die ingesteldheid is het gelukt. Beetje bij beetje.

Foto door Brett Sayles op Pexels.com

En dan kwamen de plannen om er terug te staan. Dit mag mij nooit meer overkomen. In deze put wil ik nooit meer zitten. Ik zal mijn grenzen bewaken. Het zijn allemaal wel mooie doelen die je jezelf stelt maar ik moet toegeven dat ik soms nog gevaarlijk dicht in de buurt kom van mijn gestelde grenzen. Na een burn-out lijkt het alsof je constant aan een klif wandelt. Je ziet ze altijd. De ene dag is die afgrond slechts een stipje aan de horizon, de andere dag voel je het einde van de vaste grond aan het topje van je tenen. Maar omdat je weet wat die leegte en val betekent, ben je alert. Spartel je tegen. Ik ben niet meer de persoon die ik was voor de burn-out. Ik heb het gevoel dat er een voor en na is. En alhoewel ik soms nog heimwee heb naar de persoon die ik was ervoor, heb ik het gevoel dat ik mezelf nu beter ken. Mezelf wat meer in de hand heb. Ik ben van job veranderd. Heb gebroken met zaken uit het verleden, heb punten gezet achter hoofdstukken die te zwaar op me wogen, heb stenen uit mijn mentale rugzakje gehaald en heb bepaalde eisen afgezwakt. Toen ik nog heel jong was en ik had zin om een nieuwe hobby te starten, zei mijn moeder altijd tegen mij ‘als je iets wil doen, moet je zien dat je er de beste in bent. Anders moet je er niet mee beginnen’. Dit is altijd in mijn achterhoofd blijven hangen. Dit was altijd mijn moto als ik iets nieuw ging proberen. Nu besef ik dat dit de grootste onzin is dat je tegen iemand kan zeggen. En ondanks dit besef, komt dat stemmetje op fluistertoon soms nog wel eens in mijn hoofd. Ik zet dan de muziek in mijn hoofd wat luider en hoop dat die luid genoeg staat.

Flashback

De voorbije week was voor mij een constante reis naar het verleden en dit dankzij de top 700 van de 70’s op Joe Fm. Ik had de radio nochtans niet speciaal afgestemd op de zender, maar mijn echtgenoot is enorme fan. Ik was dus genoodzaakt om van de nood een deugd te maken. Vooral omdat ik eerder geneigd ben om naast het fantastische repertoire van Prince, de huidige muziek door mijn earpods te streamen, afgewisseld met een goeie portie rap, techno of de laatste van HAEVN, SYML of Freya Riding. Maar al na het eerste disco-deuntje bleek ik verkocht te zijn en was de poort naar de jaren 70 wagenwijd open gezet. Ik voelde mij plots opnieuw dat kleine meisje dat in de zetel naast de radio gepositioneerd zat, luisterend naar de BRT Top 30 of de immense platencollectie van mijn vader. Want ik hield toen al enorm van muziek. En om de één of andere reden bracht de top 700, gigantische flashbacks teweeg en het nostalgische gevoel bleef de hele week hangen. Het is gek wat muziek doet met een mens. Ik hoorde en voelde die jaren gewoon terug, met smaken en geuren en kleuren erbij. En ondanks het feit dat ik absoluut niet meer naar mijn jeugdjaren zou willen terugkeren, voelde ik mij een enthousiaste toeschouwer van mijn herinneringen. Ik zag opnieuw het oranje behang, de blinkende tegeltjes op de grond, de gordijnen met psychedelische vormen, het metalen salontafeltje, ingelegd met tegels waarop vreemde bloemen stonden, de witte immense kast die nu bij vintage-lovers enorm gegeerd zou zijn. Deze kast vulde een volledige muur in de woonkamer en verborg de grootste geheimen in mijn toenmalige fantasie. Alles wat ik aan mijn ouders vroeg, kwam uit die kast. Ze bestond uit drie niveau’s en had schuiven, deurtjes, en openingen om prularia, beeldjes, foto’s en de modelvliegtuigjes te kunnen etaleren. Uiteraard kon je er ook nog eens licht in laten branden. Of dit origineel was of enkel het resultaat van de handigheid van mijn vader, laat ik in het midden. In die kast was de belangrijkste plaats gereserveerd voor de platenspeler en tuner. Ik herinner mij ook de hoeveelheid platen waar mijn vader zo trots op was, maar die moesten door de constante collectie-uitbreiding, verhuizen naar een groter onderkomen. Mijn vader, zelf een enorme muziekliefhebber, maakte er een erezaak van dat zijn dochter werd opgevoed met het beste wat de muziek toen te bieden had. Zo werd ik ondergedompeld in het stevigere repertoire van Pink Floyd, Neil Young, The Eagles, Steve Miller Band, Steely Dan, 10CC, Fleetwood Mac, Led Zeppelin, Cream, Eric Clapton, Genesis, ELO, Queen, CCR… maar ik genoot ook wanneer de platen van Barbra Streisand, Donna Summer, Michael Jackson en ABBA werden boven gehaald. Zelf was hij enorme fan van The Beatles, maar de liefde voor hun muziek heeft hij heel lang niet kunnen overbrengen bij mij. Het was slechts op latere leeftijd, dat ik de schoonheid van hun songs heb leren ontdekken. Ook al was ik nog niet vertrouwd met lezen en schrijven, toch kreeg ik de binnenste platenhoes, waar alle songteksten op stonden, in mijn handen gestopt . Na een aantal keren probeerde ik dan ook om de liedjes mee te zingen, terwijl die woordjes beetje bij beetje, bekender werden. En zo verdween op termijn mijn ‘fonetisch’ zingen.

In die tijd was ik ook al snel verliefd op Rod Stewart. En ik had hoop, want ik was blond en hij had alleen maar blonde liefjes. I don’t wanna talk about it, how you broke my heart… wanneer ik in de boekjes kon zien dat hij toch weer een ander liefje had genomen en het waarschijnlijk toch nooit aan mij zou zijn. Kort na hem ging de crush over naar de zanger van Adam and the Ants, maar dat kwam vooral door ‘Stand and deliver’ en dan zitten we al in het jaar 1981.

Bij het horen van ‘I’m not in love’ van 10CC op de achtergrond, zat ik plots op de zwarte achterbank van onze blauwe VW Kever met mijn zus naast me. Ik heb die mannen van 10CC altijd speciaal gevonden. In mijn geboortejaar brachten ze een LP uit met het fantastische nummers zoals Silly Love, Clockwork Creep, The Wall Street Shuffle. Ik was uiteraard toen nog te klein om te luisteren, maar aangezien deze LP regelmatig werd opgelegd, werd deze The Worst Band in The World voor mij later toch wel een stuk beter dan ze zelf beweerden.

Het opleggen van een plaat van Pink Floyd na eentje van 10CC was dan ook zo goed als logica. En dan denk ik niet direct aan The Wall, maar eerder aan Wish You Were Here en The Dark Side of The Moon met pareltjes als Shine On You Crazy Diamond, Money en het prachtige Eclips. Wat niet wil zeggen dat ik The Wall niet goed vind, maar die geeft zo een raar sfeertje. Als kind heb ik meerdere keren gedroomd dat die wandelende hamers achter me aan zaten en dat die hoge witte muur mij weg hielden van al wat mij lief was. Een muur waar zelfs Trump jaloers op zou geweest zijn. Is there anybody out there?

Voor het lichtere genre denk ik ook vooral aan die superhoge stem van Minnie Riperton waarbij vogeltjes op de achtergrond van Lovin’ You voor sfeer moesten zorgen, maar waardoor ik eerder aan een scène uit de tekenfilm Sneeuwitje dacht dan een lovesong.

De dames die zich in de jaren 70 in showbizz gooiden, waren voorbeelden die ik tot op heden nog altijd heel fel koester. Zo waande ik mezelf dikwijls een Kate Bush, Olivia Newton John of de blonde van ABBA en was ik gefascineerd door het dansje en blauw glitterpakje van zangeres Jerney Kaagman van Earth & Fire tijdens de clip van Weekend.

Het moet ook gezegd, maar de jaren 70 zonder Elton John zijn gewoon geen seventies. Deze kleurrijke zanger met zijn Tiny Dancer en zijn Crocodile Rock zorgden er voor mij voo, dat Avro’s Toppop toch weer net dat tikkeltje specialer was. Ik mis momenteel toch vooral die muziekprogramma’s zoals Avro’s Toppop en Countdown, die toen wekelijks op TV kwamen. Vooral als je je realiseert dat in Avro’s Toppop de grootsten uit de muziekwereld de revue passeerden. Artiesten zoals the Police, Dire Straits, Queen, Sister Sledge, Blondie, Smokey, Hot Chocolate, David Bowie en zelfs The Jacksons vonden de weg naar Nederland.

Ach, ik kan eigenlijk nog uren doorgaan, maar nostalgie heeft ook zijn grenzen. Om te vermijden dat ik volgende week plots aan het werk ga in één of andere seventies-outfit, dat ik de saroma pudding dagelijks als vieruurtje neem en dat ik ga shoppen voor een bloemetjesgordijn, zet ik er voorlopig een punt achter. Ik zal die afspeellijst van de seventies volgende week maar één keer afspelen. Of twee…

Bordeaux flosjes

Ik kan genieten van die donkere winterdagen. De zon die eigenlijk geen zin heeft om ons uit ons bed te halen of ons vroeg te vergezellen naar het werk en die er in de late namiddag, al de brui aan geeft, zodat je noodgedwongen een druk op die verdomde lichtschakelaar moet geven. Maar niet voordat je dit moment zo lang mogelijk hebt uitgesteld en dat je de letters op je toetsenbord op goed geluk gaat indrukken, in de hoop dat die lessen dactylo toch nog ergens hun nut bewijzen. Pas wanneer je herhaaldelijk een woord op je scherm ziet verschijnen dat niet echt meer een betekenis heeft of wanneer de cijfers in het excel-bestand plots de hele grafiek onlogisch naar de maan helpen, geef je je over aan de koppigheid. Het is maar wanneer je net een fantastische aankoop hebt gedaan van een nieuwe lichtbron in de vorm van een futuristische bureaulamp, de warme gloed van een staande lamp in het gezelligste hoekje van de kamer kan aanklikken of de gegalvaniseerde hanglamp, afgewerkt met fijn beukenhout en geblazen glas kan laten pronken, dat je die lichtschakelaar veel eerder opzoekt en harder indrukt. Gewoon omdat dit je wel een goed gevoel geeft, met daarbij misschien ook het stiekeme verlangen om, in de weelde van al dat licht, toch nog ergens een bevoorrecht plaatsje te reserveren voor die slimme lamp. Een lampje dat je vanaf je smartphone kan bedienen en het liefst met keuze uit verschillende kleuraccenten, zodat de persoon die de kamer wil binnen komen, direct een indruk krijgt in welke mood je bent en hiermee kan inschatten of het verstandig is om je aan te spreken of beter om je gewoon nog even met rust te laten.

Het zijn de donkere dagen die mij eigenlijk wel een soort van rust geven. Als het buiten op straat vroeg donker is en ik wandel naar huis langs de gevels van woningen, waar de rolluiken nog niet naar beneden zijn of waar de gordijnen nog niet zijn dichtgeschoven, dan kijk ik altijd stiekem binnen. Niet dat ik blijf staan en schaamteloos naar binnen staar, maar tijdens die enkele seconden dat het voorbijgaan vraagt, werp ik een blik binnen. Genoeg om verhalen te ontdekken over de vrouw des huizes die de boekentassen van de kinderen verplaatst zodat ze aan tafel, naast haar dochtertje kan gaan zitten en samen de tekeningen bekijkt die ze vandaag in de klas heeft gemaakt. Terwijl de kleinste van het gezin, op handen en voeten, de kat aan het plagen is met de zichtbare resten van zijn suikervolle vieruurtje op zijn gezichtje. De jonge buurman die met zijn headset, ferm aan het gesticuleren is naar zijn Playstation en duidelijk moeite heeft om zijn vriend in de virtuele game bij te staan om één of andere basis te kunnen overvallen. Terwijl aan de overkant, een oudere dame in de zetel zit, druk in de weer met breinaalden, die ik in gedachten tegen elkaar hoor tikken, om de sokjes voor haar achterkleinkind te breien bij het licht van een tafellampje. Een lampje afgewerkt met bordeaux flosjes, geplaatst naast het porseleinen beeldje van een jong herderinnetje.
Op die momenten nemen de verhalen in mijn hoofd, goed en kwaad, mijn gedachten over. Nieuwsgierig naar alle geluk, geschiedenis, familiebanden, vriendschappen en drama die zich achter de gesloten deuren, zou willen afspelen. Pas op, niet het ‘meisje in de trein’-drama, maar afhankelijk van wat er die dag op mijn pad is gekomen en in mijn hoofd heeft gezeten, zullen de onbekende figuranten in deze verlichte woonkamers, voor die dag ofwel afstevenen op een rustige avond in de zetel met een glaasje rood en goed gezelschap, ofwel in bezwete sportkledij, moe maar voldaan na een intense work-out en zalige douche, hun bed induiken. De ijverige student die de laatste hand legt aan zijn allesbepalend eindwerk, belt op het einde van de avond toch nog even naar zijn liefje om te zeggen dat hij haar heeft gemist en de veertiger die zijn kinderen al een hele week heeft mislopen, geniet samen met zijn kroost van de frietjes die hij net bij de frituur heeft gehaald en is blij dat hij dankzij deze diner, niet de rest van de avond moet spenderen aan de afwas en het opruimen van de keuken.

En ik stap gewoon verder naar huis en vergeet niet mijn rolluiken naar beneden te laten. Je wil toch geen inkijk zeker.

Een omslag van Bakker

Ik heb altijd al willen schrijven. Als klein meisje had ik twee toekomstdromen. Ofwel zou ik schrijfster worden, ofwel zangeres. Tja, als er mij nu wordt gevraagd in welk beroepsvakje ik nu kan gaan staan, dan moet ik spijtig genoeg vaststellen dat ik met deze twee dromen blijkbaar niks heb gedaan. Toch niet publiekelijk. Maar je wil niet weten hoe dikwijls ik thuis, liefst wanneer iedere huisgenoot vertrokken is, alle deuren en ramen heb gesloten en luidkeels heb meegezongen met een heel repertoire liedjes. Uiteraard volledig in uitvoering gebracht met het nodige drama, de opbouwende power en intensiteit wanneer het liedje dat vroeg, en indien nodig de zachte lieftalligheid bij een innemende ballade. Want een performance geven doe je met hart en ziel. Maar die van mij mag niemand zien of horen. Toch niemand die ik ken. Zo voel ik nog de gène van het moment wanneer ik op een heel vroeg uur, alleen in de auto en op weg naar het werk, voor het rode licht, een liedje van Anastasia meezong met aangepaste mimiek, armbewegingen en nog zoveel meer. Me uiteraard niet onmiddellijk bewust dat er een auto naast mij was gestopt en die, dankzij dit stopmoment, plots getrakteerd werd op ongewone animatie in het verkeer. Het was op het moment dat ik me bekeken voelde, dat ik mijn hoofd naar links draaide en oog in oog kwam te staan met een chauffeur die net ongevraagd getuige was van mijn optreden. Hij maakte onmiddellijk duidelijk dat hij alles goed had gezien en stak geamuseerd zijn duim omhoog. Op dat moment moeten mijn kaken even rood zijn geworden als het stoplicht voor ons, en vervloekte ik de instellingen van de verkeerslichten omdat ze geen haast hadden om op groen te springen. Aangezien ik dus geen enkele zanger of zangeres ken die niet durft te zingen voor een publiek, heb ik dus een bijkomende reden om deze droom ten grave te dragen.

Zo rust dus nog het volledige vertrouwen op het schrijven. En schrijven, dat heb ik altijd al graag gedaan. Toen ik nog in de kleuterklas zat, had ik een schriftje thuis waar ik meerdere pogingen deed om de lettertjes al na ‘te tekenen’, mooi binnen de voorziene lijntjes. Er ging dus voor mij een hele wereld open van zodra ik in het eerste leerjaar, de tien tekeningen met zinnen, boven het bord zag hangen. Een man met een aap, het is vier uur, de bijl van oom,…. Ik kon niet wachten om de hele rij af te gaan. Ik was dan ook nog maar zeven jaar wanneer ik mijn eerste poging deed om een brief te schrijven. En om het al helemaal spannend te maken, was dat een liefdesbriefje. Wat er allemaal in stond, kan ik mij niet echt meer volledig herinneren. Wel was er sprake van koekjes meebrengen voor elkaar en de vraag om tijdens de speeltijd op school, ervoor te zorgen dat hij tijd met mij doorbracht in plaats van met die andere meisjes van de klas. Kwestie van toen al wat territorium af te bakenen zeker? Wat ik mij ook nog heel goed herinner, was de omslag die ik gebruikte om mijn toenmalige proza in te stoppen. In die tijd kregen we thuis zoals bij vele gezinnen, op regelmatige tijdstippen een catalogus van Bakker. Je kon bij hen zaden, bloembollen, potgrond, planten en bloemen bestellen. Op het einde van de catalogus hing dan een invulformulier en dat moest je dan in de voorziene omslag in de postbus gaan droppen. Mijn ouders hadden van deze keer nog niks besteld en ik vond dus dat die envelop wel eens anders kon worden gebruikt. Daarenboven stond er nog eens een bloemetje op ook. Ideaal om indruk mee te maken. De jongen in kwestie kwam zo goed als dagelijks, iets voorbij onze deur spelen, samen met andere kinderen uit de buurt. Mijn zus en ik mochten echter niet verder dan onze oprit en gaan spelen met de kinderen uit de buurt was al helemaal uit den boze. Toen mijn moeder dus op de oprit, de auto aan het wassen was, had ik wel ergens de gelegenheid gezien om het briefje vlug en verdoken aan iemand door te geven, met de vraag om het aan die jongen te bezorgen. Maar wat ik als verdoken had beschouwd, moet in de ogen van mijn moeder vrij duidelijk zijn geweest. Resultaat was dat het briefje werd onderschept en dat ik naar binnen werd gestuurd. Niet lang daarna volgde wat men noemt een opvoedkundig gesprek van ouder tot kind. Ik herinner mij van dat gesprek eigenlijk vrij weinig. Er is maar één ding dat ik wel heb onthouden, toen ze zei dat ik voor iemand van zeven jaar al verdomd goeie liefdesbrieven kon schrijven. Meer moest ik niet meer weten….

Waarom een blog?

Een podium in één of ander zaaltje. De lichten zijn al half gedoofd en het geroezemoes hangt zwaar over de ronde tafeltjes, die her en der verspreid staan. Tafeltjes waaraan mannen en vrouwen hun dagelijkse beslommeringen even trachten te vergeten en zich volop storten op drank en gezelligheid.

Mocht dit een podium zijn met een eenzaam microstatief, een gitarist die zijn snaren checkt, een drummer die nog vlug even zijn haar in een staartje doet om te vermijden dat zijn haarbos alle kanten opvliegt tijdens zijn solo, … dan zou nu de technieker even met zijn vinger op de microfoon komen tikken om te checken of er geluid uit komt. Hij zou ‘test test’ in de micro blazen en heel waarschijnlijk zal er achteraan in de zaal, één of andere plezanterik, ‘ikkel’ door de zaal roepen. Waarbij er algemene hilariteit opstijgt bij zijn maten, die samen de zoveelste pint bier aan hun mond zetten en zweren dat ze vanavond nog eens stevig zullen doorzakken.

Mocht dit een podium zijn, dan zou ik nu met knikkende knieën, een zwaar verhoogde hartslag en enorme drang naar alcohol, richting micro stappen en mijn eerste noten zingen. Want ik wou toch altijd al zangeres worden. Ik zou heel voorzichtig beginnen en misschien terwijl in mijn hoofd, de playlist overlopen en me afvragen of die wel voldoende afgestemd is op het publiek dat ik voor me heb. Oogcontact zoeken met een enkeling op de eerste rij, om in te kunnen schatten of ik zachter of luider moet zingen, meer of minder moet bewegen, door kan gaan of het op een lopen moet zetten.

Mocht dit een podium zijn en ik zangeres, dan zou het zo kunnen verlopen. Maar het is een website en ik wil schrijven.